Gevolgen van de Brexit voor overheidsopdrachten

Op 29  maart 2017 heeft de Britse regering de Europese Raad in kennis gesteld van haar voornemen om de Europese Unie te verlaten. Daarmee werd de “terugtrekkingsprocedure” voorzien in artikel 50 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna VWEU) ingeleid. Ingevolge deze procedure zal het Verenigd Koninkrijk de EU uiterlijk op 30 maart 2019 verlaten, tenzij de periode van terugtrekkingsonderhandelingen zou worden verlengd of het Verenigd Koninkrijk éénzijdig haar voornemen weer intrekt.

Krachtens artikel 50 VWEU moeten de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk onderhandelen over een overeenkomst waarin de modaliteiten voor de terugtrekking worden bepaald. Langs de kant van de Europese Unie moet hieromtrent onderhandeld worden door de Europese Commissie op basis van een mandaat van de Raad, waarna deze laatste een overeenkomst kan sluiten na goedkeuring door het Europees Parlement.

Hieronder worden de gevolgen behandeld van een Brexit in de hypothese dat een akkoord zou worden bereikt omtrent een terugtrekkingsovereenkomst (punt A), alsook de gevolgen van een Brexit zonder een dergelijk akkoord (punt B).

 

A) Brexit met terugtrekkingsakkoord

 

De Europese Unie en de Regering van het Verenigd Koninkrijk bereikten in november 2018 een voorakkoord omtrent een ontwerp van terugtrekkingsovereenkomst (“draft withdrawal agreement”). Zoals algemeen geweten kon vooralsnog nog geen meerderheid gevonden worden in het Brits parlement omtrent de instemming met dit ontwerp van terugtrekkingsovereenkomst.

(link: https://www.consilium.europa.eu/media/37095/draft_withdrawal_agreement_incl_art132.pdf )

De gevolgen op het vlak van overheidsopdrachten worden behandeld in titel VIII van deel 2. Kort gesteld blijven de huidige regels van toepassing in de transitieperiode tot eind 2020. Ook voor de opdrachten die worden gelanceerd vóór 1 januari 2021, maar op dat moment nog niet afgesloten zijn, zouden de huidige regels verder moeten worden toegepast.

 

B) Brexit zonder terugtrekkingsakkoord (“no deal”)

 

Behandeling van ondernemers uit het Verenigd Koninkrijk door Belgische aanbesteders

De ondernemers uit het Verenigd Koninkrijk zullen hetzelfde statuut hebben als andere ondernemers uit derde landen met wie er geen akkoord bestaat omtrent het openen van de markt op het vlak van overheidsopdrachten in het kader van een vrijhandelsakkoord (Free Trade Agreement), tenzij het Verenigd Koninkrijk tegen 30 maart 2019 zou toetreden tot de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten van de Wereldhandelsorganisatie (hierna GPA).

In een kennisgeving aan belanghebbenden van 18 januari 2018 inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk en EU-regels op het gebied van overheidsopdrachten wordt de behandeling van ondernemers van het Verenigd Koninkrijk binnen de Europese Unie beschreven voor de procedures die worden gelanceerd vanaf 30 maart 2019, in geval er geen akkoord wordt bereikt en zonder toetreding tot de GPA.

In het licht van de Belgische omzetting kan deze kennisgeving als volgt worden begrepen :

1. Het is niet uitgesloten dat sommige aanbesteders een minder gunstige behandeling toekennen aan ondernemers uit derde landen waarop geen internationale overeenkomst van toepassing is. Het verdient echter aanbeveling een dergelijke (uitzonderlijk) minder gunstige behandeling in de opdrachtdocumenten te beschrijven (voor zover dit niet verboden wordt door internationale verdragen).

2. In de speciale sectoren (water, energie, vervoer, …) kan in bepaalde gevallen een minder gunstige behandeling worden toegepast voor ondernemers uit derde landen (zelfs zonder enige bepaling in die zin in de opdrachtdocumenten). Artikel 154 van de wet inzake overheidsopdrachten laat de aanbestedende entiteit meer bepaald toe om, bij een opdracht van leveringen en wanneer meer dan 50 % van de waarde van de producten uit derde landen afkomstig is, een dergelijke offerte te weren. Overigens moet volgens dezelfde bepaling, wanneer twee offertes gelijkwaardig zijn in het licht van de gunningscriteria, voorrang worden verleend aan de offerte waarvan de waarde van de producten die afkomstig zijn uit derde landen niet hoger is dan 50 %, behoudens de opgegeven uitzonderingsgevallen.

3. Wat de opdrachten op defensie- en veiligheidsgebied betreft regelt artikel 21 van de wet van 13 augustus 2011 inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied de toegang voor de ondernemers die afkomstig zijn uit derde landen.

 

Lopende opdrachten met ondernemers uit het Verenigd Koninkrijk

Bij gebrek aan een terugtrekkingsovereenkomst zal de vraag wat dient te gebeuren met de lopende opdrachten niet uitdrukkelijk geregeld zijn. Volgens de Europese Commissie zullen de ondernemers uit het Verenigd Koninkrijk in geen enkele hypothese hun recht verliezen om deel te nemen aan procedures die op 30 maart 2019 reeds lopende waren.

 

Toetreding van het Verenigd Koninkrijk tot de GPA

Wellicht zal het Verenigd Koninkrijk toetreden tot de GPA. Tijdens een vergadering van de “Committee on Government Procurement” van de WTO van 27 november 2018 hebben de partijen bij de GPA in beginsel hun goedkeuring gehecht aan het aanbod van het Verenigd Koninkrijk om zelfstandig deel te nemen aan de GPA na de Brexit. De partijen beraadslagen nu enkel nog over de concrete bewoordingen die aangewend zullen worden in het besluit waarbij het aanbod zal worden aanvaard (https://www.wto.org/english/news_e/news18_e/gpro_28nov18_e.htm).

Er wordt aan herinnerd dat het toepassingsgebied van de GPA niet identiek is aan dat van de Europese richtlijnen. De GPA is alleen van toepassing op de opdrachten boven de Europese drempels en heeft geen betrekking op opdrachten op defensiegebied, de private speciale sectoren en op sommige speciale sectoren.

 

Gevolgen voor de ondernemers in het Verenigd Koninkrijk op het gebied van overheidsopdrachten

Ten eerste zullen het primaire recht van de Europese Unie en de EU-richtlijnen op het gebied van overheidsopdrachten en concessies vanaf 30 maart 2019 niet langer van toepassing zijn in het Verenigd Koninkrijk. Echter zal het huidige reglementair kader (Public Contracts Regulations 2015) wellicht niet onmiddellijk volledig worden gewijzigd. Er zullen echter enkele aanpassingen nodig zijn die overigens reeds overwogen worden. (http://www.legislation.gov.uk/ukdsi/2019/9780111176788/contents) Er zou bijvoorbeeld een Britse elektronische publicatiedienst (“e-notification service”) worden opgericht voor Britse aanbesteders die niet langer in het Publicatieblad van de Europese Unie zullen mogen bekendmaken. Ook de verwijzingen naar de Europese Commissie en de Europese wetgeving zouden door middel van het betrokken ontwerp worden geschrapt.

 

Overige handelsrechtelijke problemen die zich zouden kunnen stellen ingevolge Brexit ?

Het valt niet uit te sluiten dat zich bepaalde problemen kunnen voordoen die geen verband houden met de wetgeving overheidsopdrachten sensu strictu. Voor een opdracht die wordt gegund aan een ondernemer uit het Verenigd Koninkrijk, zou bijvoorbeeld achteraf kunnen blijken dat een vereiste erkenning ontbreekt ingevolge de Brexit, hetgeen ertoe zou kunnen leiden dat de opdracht de facto niet langer uitgevoerd kan worden.

Het valt alleszins sterk af te raden om een offerte te weren omwille van dergelijke potentiële problemen alvorens de Brexit-date. Het betreft inderdaad op heden puur hypothetische problemen en een uitsluiting die gemotiveerd is door een mogelijke Brexit zou discriminatoir zijn.

Bron : FOD Beleid en Ondersteuning

Comments are closed.